macOS High Sierra

Schakelaarbediening gebruiken

Als schakelbediening is ingeschakeld, kun je met hulpapparaten, zoals een schakelaar of joystick, tekst invoeren, met onderdelen op het scherm werken en je Mac besturen. Je gebruikt de regelaars in het beginpaneel van Schakelbediening om een paneel of de gebruikersinterface te scannen totdat je een schakelaar gebruikt om een onderdeel te selecteren of een bewerking uit te voeren.

In het beginpaneel van Schakelbediening kun je hardware emuleren en de gebruikersinterface openen. Er kunnen aangepaste panelen beschikbaar zijn voor gespecialiseerd gebruik.

Schakelbediening activeren

  1. Kies Apple-menu > 'Systeemvoorkeuren', klik op 'Toegankelijkheid' en klik vervolgens op 'Schakelbediening'.

    Open het paneel 'Schakelbediening'

  2. Klik op 'Algemeen' en selecteer 'Activeer schakelbediening'.

    Het beginpaneel van Schakelbediening wordt op je bureaublad weergegeven.

Het beginpaneel gebruiken

  • Toetsenbord: Het standaardtoetsenbord weergeven. Typ tekst in een document of veld door het toetsenbord in het paneel te scannen, een groep toetsen te openen en vervolgens een toets te selecteren. Let altijd goed op de groep onder in het toetsenbord. Deze bevat namelijk suggesties voor woorden, gebaseerd op de toetsen die je al hebt ingedrukt. Je kunt sneller typen door een voorgesteld woord te selecteren.

  • Wijzer: Knoppen weergeven waarmee je de aanwijzer kunt verplaatsen en klikacties kunt uitvoeren. Selecteer 'Verplaats' om de aanwijzer naar een bepaald gebied van het scherm te verplaatsen. Als automatisch op de aanwijzer moet worden geklikt wanneer je in een bepaald gebied van het scherm komt, selecteer je 'Verplaats en klik'.

    Voor beide opties zie je een verticaal blokje over het scherm schuiven. Wanneer je op de schakelaar 'Selecteer onderdeel' drukt, stopt het blokje en zie je een verticale blauwe lijn over het blokje schuiven. Als je nogmaals op de schakelaar drukt, stopt de blauwe lijn of beweegt deze aanzienlijk langzamer voordat je opnieuw op de schakelaar drukt om de lijn te stoppen. (De lijnbeweging vertraagt als de nauwkeurigheid van de aanwijzer is ingesteld op 'Hoog' in het paneel 'Navigatie' van het paneel 'Schakelbediening' van het paneel 'Toegankelijkheid' in Systeemvoorkeuren.)

    Als je op dezelfde manier te werk gaat in horizontale richting, wordt de aanwijzer verplaatst naar het snijpunt van de twee blauwe lijnen. Als je 'Verplaats en klik' hebt geactiveerd, wordt het onderdeel op het snijpunt van de twee blauwe lijnen geselecteerd.

  • Programma: Onderdelen en groepen scannen in het actieve venster van het huidige programma.

  • Dock: De onderdelen in het Dock scannen.

  • Menubalk: De groep in de menubalk scannen en vervolgens de groep in het Extra's-menu scannen.

  • Systeem: Knoppen weergeven waarmee je het volume of de helderheid van het beeldscherm van je Mac kunt instellen en het afspelen van media kunt regelen.

    Als je Mac een Touch Bar heeft, bevat 'Systeem' ook de optie 'Toon/verberg Touch Bar'. Hiermee geef je de Touch Bar onder in het scherm weer. Je kunt dan schakelbediening gebruiken om onderdelen in de Touch Bar aan te wijzen en te selecteren. Zie het Apple Support-artikel Touch Bar gebruiken op een MacBook Pro voor meer informatie over de Touch Bar.

  • Aangepast: Beschikbare aangepaste panelen tonen. Je kunt aangepaste panelen aanmaken (met de paneeleditor) om veelvoorkomende taken en bewerkingen voor programma's te stroomlijnen.

  • Locatie: Knoppen weergeven waarmee je de positie van het beginpaneel van Schakelbediening op het scherm kunt aanpassen.

  • Apparaten: Beschikbare Apple apparaten tonen, zoals iOS-apparaten of Apple TV, die je met schakelbediening op de Mac kunt besturen zonder dat je de schakelaar met het andere apparaat hoeft te koppelen. Je Mac, iOS-apparaten en Apple TV moeten met hetzelfde wifinetwerk zijn verbonden en je moet op de apparaten bij iCloud zijn ingelogd.

Onderdelen scannen en selecteren

  • Onderdelen scannen met automatisch scannen: Druk op de schakelaar 'Selecteer onderdeel' om de automatische scan te starten. Bij groepen en onderdelen van de gebruikersinterface wordt tijdens de scan elk onderdeel of elke groep gemarkeerd. Bij panelen wordt elke knop of groep gemarkeerd of worden knoppenreeksen als overlappende reeks gemarkeerd, afhankelijk van het ontwerp van het paneel.

    Als je een onderdeel selecteert, stopt de scan (tenzij in het paneel 'Schakelaars' is ingesteld dat de scan niet moet stoppen na een selectie). Om de scan voort te zetten, druk je nogmaals op de schakelaar. Een scan wordt herhaald volgens de instellingen in het paneel 'Navigatie'.

  • Onderdelen scannen zonder automatisch scannen: Als je de automatische scan hebt uitgeschakeld, druk je op de schakelaar 'Ga naar volgend onderdeel'.

  • Een onderdeel selecteren: Druk op de schakelaar 'Selecteer onderdeel' als het gewenste onderdeel is gemarkeerd. Als het geselecteerde onderdeel een groep of reeks is (en je niet hebt ingesteld dat de scan na een selectie moet worden voorgezet), druk je op de schakelaar om de groep of reeks te scannen. Druk vervolgens nogmaals op de schakelaar om een onderdeel te selecteren. Om een groep of reeks te verlaten, druk je op de schakelaar wanneer de groep of reeks is gemarkeerd (of wanneer je "stap uit" hoort als je hebt ingesteld dat tijdens het navigeren gesproken tekst moet worden gebruikt).

Panelen gebruiken

  • Opties voor een paneel instellen: Druk in een paneel op de schakelaar 'Selecteer onderdeel' wanneer het symbool 'Paneelopties'  rechtsbovenin is gemarkeerd. Druk vervolgens nogmaals op de schakelaar wanneer de gewenste optie is gemarkeerd. Je kunt het paneel kleiner of groter maken en je kunt ook de doorzichtigheid versterken of verminderen.

  • Teruggaan naar het beginpaneel: Druk in een paneel op de schakelaar 'Selecteer onderdeel' wanneer het huissymbool  rechtsbovenin is gemarkeerd. Druk in een gebruikersinterface op de schakelaar wanneer het beginpaneel is gemarkeerd.

De aanwijzer besturen

Op welke manieren je de aanwijzer kunt verplaatsen en besturen, is afhankelijk van het paneel waarin je aan het werk bent. Zo vind je in het paneel 'Wijzer' in het beginpaneel de methoden 'Verplaats' en 'Verplaats en klik'. De volgende methoden kunnen ook in panelen worden gebruikt:

  • Glijd: De bewerking is hetzelfde als die van de methode 'Verplaats' in het paneel 'Wijzer'.

  • Roteer: Wanneer je op de schakelaar 'Selecteer onderdeel' drukt, begint een sector (in de vorm van een cirkelsegment) vanaf de huidige locatie van de aanwijzer rond het scherm te roteren. Afhankelijk van de grensinstellingen in de paneeleditor kan de sector ook rond het voorgrondvenster vanuit het midden van dat venster roteren. Wanneer je de schakelaar een tweede keer indrukt, stopt de sector op het scherm en zie je een blauwe lijn over de sector schuiven. Als je een derde keer op de schakelaar drukt, stopt de blauwe lijn en schuift de aanwijzer langs de blauwe lijn. Druk nogmaals op de schakelaar om de aanwijzer op de blauwe lijn te stoppen.

    Als de nauwkeurigheid van de aanwijzer is ingesteld op 'Hoog' (in het paneel 'Navigatie' van het paneel 'Schakelbediening' van het paneel 'Toegankelijkheid' in Systeemvoorkeuren), worden er tussenliggende fasen toegevoegd om nog meer controle te krijgen over de aanwijzer. De derde keer dat je op de schakelaar 'Selecteer onderdeel' drukt, glijdt de blauwe lijn bijvoorbeeld aanzienlijk langzamer over de sector. Wanneer je een vierde keer op de schakelaar drukt, zie je dat de aanwijzer langs de blauwe lijn begint te schuiven. De vijfde keer dat je op de schakelaar drukt, zal de aanwijzer aanzienlijk langzamer gaan bewegen. Druk een zesde keer op de schakelaar om de aanwijzer op de blauwe lijn te stoppen.

  • Verplaats gericht: Wanneer je op de schakelaar 'Selecteer onderdeel' drukt, wordt de aanwijzer vanaf de huidige locatie op het scherm naar een bepaalde richting verplaatst (bijvoorbeeld naar links, omlaag of diagonaal) of wordt de laatste richtingsverplaatsing omgekeerd of herhaald. Als je op de schakelaar drukt, stopt de aanwijzer met bewegen. Als je niet op de schakelaar drukt, blijft de aanwijzer bewegen totdat een grens wordt bereikt, waarna de aanwijzer in een andere richting gaat bewegen of stopt (dit is afhankelijk van de instelling 'Als muisaanwijzer de rand bereikt' in het paneel 'Navigatie' van het paneel 'Schakelbediening' van het paneel 'Toegankelijkheid' in Systeemvoorkeuren).

Schakelaars configureren

In het paneel 'Schakelaars' van het paneel 'Schakelbediening' van het paneel 'Toegankelijkheid' in Systeemvoorkeuren kun je een of meer schakelaars instellen waarmee je een bewerking kunt uitvoeren door op de schakelaar te drukken. Ook kun je hier een andere bewerking toewijzen aan een bestaande schakelaar.

  • Een schakelaar toevoegen: Klik op de knop met het plusteken  en druk vervolgens op de schakelaar. Typ een naam en selecteer een bewerking, zoals 'Stop met scannen'. Om met de schakelaar een script uit te voeren of een programma te openen, klik je op 'Speciaal' en selecteer je een script of een programma.

  • Een schakelaar verwijderen: Selecteer een schakelaar in de lijst en klik op de knop met het minteken .

  • Een schakelaar wijzigen: Selecteer een schakelaar in de lijst, klik op het taakmenu  en wijzig de naam of bewerking. Als je een andere schakelaar wilt gebruiken voor de bewerking, klik je op 'Wijs opnieuw toe'.

Je kunt de schakelbediening aanpassen met de panelen 'Schakelaars' en 'Navigatie' van het paneel 'Schakelbediening' in Systeemvoorkeuren. Klik in een paneel op de knop met het vraagteken voor informatie over de verschillende opties. Kies Apple-menu > 'Systeemvoorkeuren', klik op 'Toegankelijkheid' en klik vervolgens op 'Schakelbediening'.

Open het paneel 'Schakelbediening'