Mac OS 8, Mac OS 9: samengebruik
Overzicht
In dit artikel wordt beschreven hoe u de samengebruikfunctie activeert.
Opmerking: Dit document is gebaseerd op Mac OS 9. Als u met een versie van het Mac OS tussen 8.0 en 8.6 werkt, kunnen er kleine verschillen zijn, maar de stappen zijn in principe gelijk. Stappen die specifiek zijn gericht op uw versie van het Mac OS, kunt u vinden door 'Mac Help' te kiezen uit het Help-menu. Raadpleeg voor informatie over de samengebruikfunctie in Mac OS X, het artikel 106461: "Mac OS X: samengebruik"
Attentie: Neem de nodige voorzichtigheid in acht wanneer u anderen in staat stelt een verbinding met uw computer tot stand te brengen en wanneer u privileges instelt. Uit het oogpunt van beveiliging is het niet verstandig anderen zomaar toegang te geven tot uw computer. Raadpleeg voor meer informatie artikel 60621: "Mac OS: beveiliging van Samengebruik"
Producten waarbij dit probleem kan optreden
Mac OS 9.2, Mac OS 9.1, Mac OS 9.0, Mac OS 8.6, Mac OS 8, Mac OS 8.1, Mac OS 8.5
De computers moeten fysiek met elkaar verbonden zijn
Sluit de computers op elkaar aan met behulp van een AirPort- of Ethernet-netwerk. Raadpleeg voor meer informatie artikel 106658: "Macintosh: een klein Ethernet-netwerk opzetten"
Samengebruik starten
1. Kies 'Regelpanelen' uit het Apple-menu en vervolgens 'Samengebruik' uit het submenu.
2. Klik op de tab 'Start/Stop' en vervolgens op 'Start'.
3. Als u verbindingen via TCP/IP wilt toestaan, schakelt u het aankruisvak 'Maak samengebruik mogelijk via TCP/IP' in. Voor meer informatie over deze functie raadpleegt u artikel 106661: "Mac OS: samengebruik in combinatie met externe netwerken, samengebruik via het internet"
4. Voer in de desbetreffende velden de naam van de eigenaar, het wachtwoord van de eigenaar en de naam van de computer in. U hebt deze informatie mogelijk al ingevoerd via de Mac OS-configuratie-assistent.
Op dit moment is samengebruik geactiveerd maar kan alleen de eigenaar een verbinding met de computer tot stand brengen. Er is geen sprake van gasttoegang.
Bepalen wie een verbinding tot stand kan brengen
Als u wilt dat anderen een verbinding met uw computer tot stand kunnen brengen, klikt u op de tab 'Gebruikers & groepen' in het regelpaneel 'Samengebruik'.
Voor gasttoegang:
- 1. Selecteer de gebruiker 'Gast'.
2. Klik op 'Open'.
3. Kies 'Samengebruik' uit het venstermenu 'Toon'.
4. Schakel het aankruisvak 'Gasten kunnen verbinding zoeken' in.
Attentie: Wanneer u gasttoegang inschakelt, heeft iedereen toegang tot de onderdelen die u voor samengebruik beschikbaar stelt. Gasten krijgen de privileges die u instelt voor 'Iedereen'.
Voor een nieuwe gebruiker:
- 1. Klik op 'Nieuwe gebruiker'.
2. Geef de gebruiker een naam en een wachtwoord.
Wanneer u eenmaal gebruikers hebt aangemaakt, kunt u ze desgewenst in groepen onderbrengen. Hierdoor kunt u later gemakkelijker privileges instellen.
Voor een nieuwe groep:
- 1. Klik op 'Nieuwe groep'.
2. Geef de nieuwe groep een naam.
3. Sleep de gewenste gebruikers naar het venster van de nieuwe groep.
Een map of schijf toegankelijk maken voor gemeenschappelijk gebruik
U kunt mappen, harde schijven en bepaalde typen verwisselbare media toegankelijk maken. Diskettes kunnen niet toegankelijk worden gemaakt. Ga als volgt te werk om een onderdeel toegankelijk te maken:
- 1. Selecteer het toegankelijk te maken onderdeel in de Finder.
2. Kies 'Info' uit het Archief-menu.
3. Kies 'Samengebruik' uit het venstermenu 'Toon'.
4. Schakel het aankruisvak 'Maak dit onderdeel inclusief inhoud toegankelijk' in.
5. Gebruik de venstermenu's 'Eigenaar', 'Gebruiker/groep' en 'Iedereen' om de gewenste privileges in te stellen.
Opmerking: 'Iedereen' staat voor gasttoegang, indien geactiveerd.
Een verbinding tot stand brengen met een toegankelijk gemaakte computer
Opmerking: Computers zoeken op naam is niet mogelijk wanneer vanaf een externe locatie via het internet een samengebruikverbinding tot stand wordt gebracht. De onderstaande stappen gelden zowel voor externe als lokale verbindingen.
Vanaf een computer waarop Mac OS 8 of 9 is geïnstalleerd
- 1. Open het Apple-menu en klik op 'Kiezer'.
2. Klik op het symbool 'AppleShare'. Als u een verbinding tot stand wilt brengen met een computer in het lokale netwerk, gaat u door met stap 3. Als u een verbinding tot stand wilt brengen met een computer in een extern netwerk (ofwel via het internet), gaat u door met stap 7. Als u het niet zeker weet, leest u opmerking 1 aan het einde van dit gedeelte.
3. Indien AppleTalk-zones verschijnen, kiest u de gewenste zone. Verschijnen deze niet, dan negeert u deze stap.
4. Selecteer de naam van de computer in de lijst.
5. Klik op 'OK'.
6. Stop hier. Ga niet verder met stap 7.
7. Klik op de knop 'IP-adres server'.
8. Typ het IP-adres of de DNS-naam van de computer waarmee u een verbinding tot stand wilt brengen. (zie opmerking 2)
9. Klik op 'Verbind'.
Zodra de verbinding tot stand is gebracht, verschijnt een symbool van de gemeenschappelijke schijf op het bureaublad.
Opmerkingen:
1. Computers zoeken op naam is niet mogelijk wanneer vanaf een externe locatie via het internet een samengebruikverbinding tot stand wordt gebracht. "Lokaal netwerk" is een algemene term die in deze context verwijst naar een netwerk waarin AppleShare- en/of SLP-informatie (service location protocol) kan worden uitgewisseld tussen de computer die de verbinding tot stand brengt en de toegankelijk gemaakte computer. In grotere netwerken is deze informatie mogelijk alleen beschikbaar in uw netwerksegment. Als u het niet zeker weet, vraagt u het de netwerkbeheerder of probeert u beide methoden en kijkt u wat er gebeurt. Als u de AppleShare/SLP-naam van de toegankelijk gemaakte computer (ingesteld in stap 4 van het gedeelte 'Samengebruik starten') niet kunt vinden, probeert u de alternatieve verbindingsmethode door naar stap 7 van dit gedeelte te gaan.
2. Het IP-adres van de toegankelijke computer kunt u zien wanneer op die computer het programma Apple Systeemprofiel wordt gestart. Het IP-adres heeft deze vorm: 10.0.1.203. De DNS-naam is gedefinieerd door uw netwerkbeheerder of internetaanbieder en heeft deze vorm: mijncomputer.apple.com. Dit is niet de naam die u de computer hebt gegeven in stap 4 van het gedeelte 'Samengebruik starten'. Die naam wordt gebruikt door AppleShare- en SLP-programma's.
3. Om een verbinding met een Mac OS X-computer tot stand te kunnen brengen, moet de computer een IP-adres hebben. Raadpleeg voor meer informatie artikel 106779: "Mac OS: De melding 'De verbinding met deze server is onverwacht verbroken'
Vanaf een computer waarop Mac OS X is geïnstalleerd
- 1. Kies 'Verbind met server' uit het Ga-menu. Als u een verbinding tot stand wilt brengen met een computer in het lokale netwerk, gaat u door met stap 2. Als u een verbinding tot stand wilt brengen met een computer in een extern netwerk (ofwel via het internet), gaat u door met stap 5. Als u het niet zeker weet, leest u opmerking 1 aan het einde van dit gedeelte.
2. Selecteer de naam van de computer in de lijst.
3. Klik op 'Verbind'.
4. Stop hier. Ga niet verder met stap 5.
5. Typ in het veld 'Adres' het IP-adres of de DNS-naam van de computer waarmee u een verbinding tot stand wilt brengen. (zie opmerking 2)
6. Klik op 'Verbind'.
Wanneer de verbinding tot stand is gebracht, verschijnt er een symbool voor de gemeenschappelijke schijf in de lijst met computers in het Finder-venster. Het symbool verschijnt tevens op het bureaublad wanneer de optie 'Verbonden servers' is geselecteerd
Opmerkingen:
1. Computers zoeken op naam is niet mogelijk wanneer vanaf een externe locatie via het internet een samengebruikverbinding tot stand wordt gebracht. "Lokaal netwerk" is een algemene term die in deze context verwijst naar een netwerk waarin AppleShare- en/of SLP-informatie (service location protocol) kan worden uitgewisseld tussen de computer die de verbinding tot stand brengt en de toegankelijk gemaakte computer. In grotere netwerken is deze informatie mogelijk alleen beschikbaar in uw netwerksegment. Als u het niet zeker weet, vraagt u het de netwerkbeheerder of probeert u beide methoden en kijkt u wat er gebeurt. Als u de AppleShare/SLP-naam van de toegankelijk gemaakte computer (ingesteld in stap 4 van het gedeelte 'Samengebruik starten') niet kunt vinden, probeert u de alternatieve verbindingsmethode door naar stap 5 van dit gedeelte te gaan.
2. Het IP-adres van de toegankelijke computer kunt u zien wanneer op die computer het programma Apple Systeemprofiel wordt gestart. Het IP-adres heeft deze vorm: 10.0.1.203. De DNS-naam is gedefinieerd door uw netwerkbeheerder of internetaanbieder en heeft deze vorm: mijncomputer.apple.com. Dit is niet de naam die u de computer hebt gegeven in stap 4 van het gedeelte 'Samengebruik starten'. Die naam wordt gebruikt door AppleShare- en SLP-programma's.
3. Wanneer wordt gezocht op naam, worden Mac OS X-computers standaard weergegeven in het lokale netwerk. Dit kan worden gewijzigd met behulp van de instructies in artikel 106335: "Mac OS X Server 10.0: SLP-omgeving instellen"